't Olde Karspel - periodiek van de Historische Vereniging De Wijk - Koekange

Padvinderij in de Wijk

door Jan Bolling

Ontstaan
De Engelse luitenant-generaal Robert Baden-Powell (1857-1941) had tijdens de Tweede Boerenoorlog in Zuid-Afrika met succes een belegering van 217 dagen doorstaan. Dat succes had hij te danken aan de bijzondere technieken waarmee hij de verdediging organiseerde. Die bijzondere technieken bestonden voornamelijk uit verkennen ("to scout" in het Engels). Toen hij uit Zuid-Afrika terugkwam, merkte hij dat het boekje "Aids to scouting", dat hij in 1908 geschreven had voor verkenners in het leger, razend populair was bij de jeugd in Engeland, zowel bij opleidingsinstituten als daarbuiten. In dat boekje knoopte hij aan bij het handboek van de rond de eeuwwisseling ontstane jeugdbeweging der "Woodcraft Indians", waar uitgegaan werd van een hard en primitief leven in de natuur met als hoogtepunt een mystiek beleefd kampvuur.
Bij een bezoek aan een jongensvereniging waar ze ook gebruik maakten van het bewuste boekje, merkte hij dat de toepassing van het boekje te militaristisch was en dat er met een aantrekkelijker programma meer jongeren bereikt zouden kunnen worden. Hij schreef toen "Verkennen voor jongens", waarin naast een spelplan aandacht wordt geschonken aan o.a. hulpvaardigheid, onbaatzuchtigheid, moed, discipline en improvisatievermogen.
Het was niet Baden-Powell die Scouting oprichtte, Scouting begon uit zichzelf en sleepte Baden-Powell mee.
Duizenden Engelse jongens verslonden de zes afleveringen van "Verkennen voor jongens" en overal in het land richtten ze "patrouilles" op en gingen met het boek als leidraad spannende spelen doen. Het waren niet, zoals Baden-Powell bedacht had, alleen de al bestaande verenigingen die het programma van Scouting adopteerden, het waren vooral de jongens zelf die op eigen houtje, vaak zonder hulp van ouderen aan de gang gingen. Ze vroegen hem om meer informatie. Die kwam er via het nieuwe weekblad The Scout. Maar er was meer nodig: een geheel eigen organisatie. Als Scouting onverwachts een nieuwe vereniging wordt, ziet hij hier een grote uitdaging. Koning Edward VII vraagt Baden-Powell om zijn militaire loopbaan af te sluiten, omdat hij vindt dat deze met Scouting meer voor zijn land kan betekenen.
Scouting vond al vrij snel navolging in Nederland en kreeg onder de naam Padvinderij in 1911 gestalte.

Padvinderij in de Wijk
Het is niet precies te achterhalen wanneer er in de Wijk een afdeling van de padvinderij van de grond is gekomen.
Na de Tweede Wereldoorlog was er een groepje jongens dat met dekzeilen van Geert van 't Zand en wat stokken naar de Witte Bergen trok om daar een tent of een hut te bouwen. Geert van 't Zand had een paard en een wagen en was voorwerker; je zou voorwerker de voorloper van het tegenwoordige loonbedrijf kunnen noemen. Hij vervoerde onder andere graan en meel van- en naar de Wijker molen en om ervoor te zorgen dat de vracht droog bleef, had hij dekzeilen die over de vracht heen getrokken konden worden. Zijn kleinzoons Jan en Gerard Lutke met hun vrienden Geert Strick, Bertus Loman en Willem Lubbers namen bij tijd en wijle een dekzeil en stokken mee op een karretje achter de fiets en gingen dan in de Witte Bergen daarmee aan het werk. Er was toen nog geen sprake van een georganiseerd geheel. Dat veranderde met de komst van Albert Klomp. Albert was in die tijd nog niet getrouwd. Hij woonde bij Hendrik Lowijs aan de Molenweg. Deze was getrouwd met zijn zus Hermina en had enige ervaring met het omgaan met jongeren. Albert zag wel iets in de padvinderij en vond dat er in de Wijk ook zoiets moest zijn voor de jeugd.
Om de boel een beetje op de rails te krijgen, werd er hulp ingeroepen bij de padvinderij in Meppel. De Meppeler hopman van de Bosch zette met zijn assistent de lijnen uit om de padvinderij in de Wijk van de grond te krijgen. Inmiddels had burgemeester Briët overleg gehad met Alfred Goldstein, die op het gemeentesecretarie werkte. Hij was van mening dat Alfred de leiding van de padvinderij op zich zou moeten nemen, omdat hij vanuit zijn jeugdjaren in Holten daarmee bekend was. Hij had zelfs deelgenomen aan de Wereldjamboree, die in 1937 in Vogelenzang bij Haarlem was gehouden. Zo werden Alfred tot hopman en Albert Klomp tot vaandrig benoemd. Van toen af aan golden de regels van de Padvinderswet en moesten de leden de padvindergelofte bij de hopman afleggen. Een greep in de namenlijst van jongens die tot de padvinderij toetraden - zonder volledigheid na te streven - levert het volgende op: Geert Strick, Jan Lutke, Gerard Lutke, Bertus Redeker, Lucas Steenbergen, Anton Meier, Marinus Meier, Lucas Linthorst, Reind Timmerman, Richard Korf, Albert Mos, Berend Boverhof Azn, Bennie Jansen en Giel Briët. Uit Ruinen kwamen Hans Hoving en Iep van de Molen.
Jan Lutke weet nog dat hij op 25 juni 1949 toetrad en toen de eed af moest leggen. Die luidde: "Op mijn eer beloof ik ernstig te zullen trachten mijn plicht te doen tegenover God en mijn Land, iedereen te helpen waar ik kan en de Padvinderswet te gehoorzamen."
Er was binnen de groep een sterke hiërarchie. De jongsten waren de welpen, daarboven had je de verkenners en uiteindelijk werd je voortrekker. Het kader bestond uit een hopman en een vaandrig.

De Witte Bergen
Het onderkomen bestond in de begintijd uit een zeer eenvoudig zomerhuis dat aan de familie Bloksma-Beijer uit Meppel toebehoorde. Dit zomerhuis stond aan de westkant van de Koedrift in de Witte Bergen. Het werd ook wel door de padvinderij uit Meppel gehuurd.
Hopman van de Bosch van de padvinderij uit Meppel met zijn Hopman Kwantgroep maakte er veelvuldig gebruik van. De padvinderij in Meppel eerde in haar naam hopman Kwant, die in de 2e Wereldoorlog was gefusilleerd. Vanuit dit zomerhuis werden allerlei activiteiten ontplooid zoals oefenen in het leggen van knopen in een touw, een vlot bouwen en een brug leggen over de wijk die parallel loopt aan de Veldhuisweg in IJhorst, een waterloop die van tijd tot tijd droog ligt.
Met de komst bij de padvinderij van Dolf Jonkers, die boswachter was bij Staatsbosbeheer, kreeg men de beschikking over de schuur van Staatbosbeheer in de Zwarte Dennen. Dolf oefende de functie van vaandrig uit. Later is hij verhuisd naar Schoorl, waar hij ook boswachter werd. Hopman Goldstein wist bij de toenmalige Commissaris der Koningin in Drenthe, Reint Hendrik de Vos van Steenwijk, die op Huize Voorwijk woonde, toestemming te verkrijgen om de padvinderij in de Wijk "De Vos van Steenwijkgroep" te noemen. Hij kreeg tevens voor elkaar dat er huisvesting voor de padvinderij werd gevonden in het zogeheten bouwhuis, de boerderij bij Huize Dickninge. Om aan het honk iets eigens te geven, schilderde Jan Lutke boven de schoorsteenmantel de lelie, het symbool van de padvinderij.

Op kamp
De padvinders gingen van tijd tot tijd op pad voor een kamp van een paar dagen of een week.
Om naar Ameland te gaan, waar een kamp gehouden zou worden, konden ze meerijden met Sent Waninge, die een transportbedrijf had op Rogat en vrijdags naar de veemarkt in Leeuwarden reed om vee te brengen en te halen. Onderweg naar Leeuwarden werden er hier en daar koeien ingeladen. Het verhaal gaat dat een van de padvinders, die wist hoe je moest melken, tijdens de rit uit baldadigheid een koe ging melken, waarbij de melk gewoon in het stro liep.
Op zo'n kamp was het een vast ritueel dat 's morgens de vlag werd gehesen en 's avonds weer werd gestreken. Koken deed men zelf en om te voorzien in de sanitaire behoefte werd een latrine gegraven. Zo werden er ook kampweken gehouden in Schoorl en Otterlo.
Lucas Steenbergen herinnert zich nog goed de kampweek in Otterlo, hoe hij en Reind Timmerman tijdens een marsroute van Otterlo naar het St. Hubertusslot weigerden om op een gegeven moment nog verder te lopen. Ze waren van mening dat zij ook wel met Albert Klomp en Marinus Meier mee konden om boodschappen te halen en zodoende vrijgesteld konden worden van de mars. Ze waren demonstratief in de slootwal gaan liggen en waren van plan om daar voorlopig ook te blijven. Ze rekenden echter buiten de waard: hopman Goldstein en Albert Klomp kwamen bij hen kijken en gaven op dwingende wijze aan dat ze met de groep mee hadden te lopen, hetgeen toen ook gebeurde.
De bijeenkomsten in het honk en de kampen waren niet de enige activiteiten die werden ontplooid. 's Winters werden er ook avonden gegeven in hotel- restaurant Hazelaar, die goed bezocht werden. Hazelaar was op de plaats waar nu de groente-afdeling van supermarkt Coöp is.
Een bijzondere dag was 23 april. Dan werd de schutspatroon van de padvinderij, St. Joris, geëerd. Op de Brink voor de molen werd dan de padvindersvlag gehesen en werd, volgens sommigen, door de padvinders bij toerbeurt de wacht gehouden.
Toen Alfred Goldstein door zijn drukke werkzaamheden zijn leiderschap moest opgeven, werd Deddo Rehwinkel hopman, Deddo was jeugdleider op Huize Dickninge, waar toen een jongensinternaat was gevestigd.
Deddo nam ook nog een paar jongens van Dickninge mee als lid. Namen die genoemd werden, zijn: Jan Louwens, Freek Grimyser en Jouwert Hoekstra. Met het vertrek, eind jaren 50 van de vorige eeuw, van Deddo Rehwinkel naar een andere werkkring hield de padvinderij in de Wijk op te bestaan, bij gebrek aan een leider.

Met dank aan: Dori Goldstein-Top, Richard Korf, Jan Lutke, Lucas Steenbergen en Geert Strick.

*****