't Olde Karspel - periodiek van de Historische Vereniging De Wijk - Koekange

De Hoogeveense Vaart

door Jan Bolling

Wie de brede waterweg ziet tussen de Wijk en Koekange zal zich misschien niet zo gemakkelijk voor kunnen stellen dat dit rustige water eens een drukke afvoerroute was voor de turf uit het gebied rond Hoogeveen en later ook zuidoostelijk Drenthe. Nu is het een brede vaarweg met viaducten en grote sluizen, dat was vroeger wel anders! De schepen waren klein, de vaarroute ondiep en smal, daar komt nog bij dat de watertoevoer ook niet altijd optimaal geweest zal zijn.

Het begin
Het is niet geheel bekend wanneer Roelof van Echten tot Echten (1592-1643) op het idee is gekomen om het grote veengebied dat ruwweg tussen Echten, Beilen, Meppen en de Reest lag te ontginnen of zo als dat wel genoemd wordt "aan snee te brengen".
Algemeen wordt aangenomen dat de overeenkomst die hij sloot in 1625 met de markegenoten van Steenbergen en Ten Arlo en waarmee hij een eerste complex veen verwierf, het begin was van zijn onderneming.
Steenbergen en Ten Arlo bezaten een groot gedeelte van het veengebied dat ten oosten van deze buurtschappen lag. Deze veengebieden waren alleen via de groenlanden van Steenbergen en Ten Arlo bereikbaar en er was geen goede mogelijkheid om de turf, en niet te vergeten het vrij komende water, af te voeren.
Van Echten verplichtte zich om een kanaal aan te leggen om de gestoken turf af te voeren, de markegenoten mochten gebruik maken van het kanaal tegen betaling van een afvaartsgeld. Van Echten nam de zorg voor het onderhoud van het kanaal op zich. Die Roelof voelde blijkbaar goed aan dat hij iets kon doen in het kader van de grote behoefte aan brandstof in het westen van ons land. In het westen van de Republiek der Verenigde Nederlanden was in die periode, die later als de Gouden Eeuw bekend zou worden, een grote behoefte aan brandstof, niet alleen in de huishoudens maar ook bij de ambachtsuitoefening.
Van Echten had al eerder bemoeienis met de turfvaart rond Zwartsluis, hij verwierf in 1621 met een aantal Overijsselsche notabelen de sluis te Zwartsluis.
Een kanaal graven was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan, er moest niet alleen een kanaal gegraven worden maar er moest tussen, zeg maar Hoogeveen en Meppel, ook nog eens een hoogteverschil van ruim 10 meter overbrugd worden.

Het Oude Diep
Het Oude Diep ontspringt iets ten noorden van Hoogeveen, kronkelt dan naar het zuidwesten en komt in de buurt van Echten uit in wat nu de Hoogeveense Vaart heet. Vroeger stroomde dit diepje na Echten in de richting waar nu zo ongeveer de Ossesluis ligt. Kenmerkend voor de beekdalen van de Drentse riviertjes zijn de venige beekdalgronden, die zich langs de riviertjes hebben gevormd. Op de bodemkaart van Drenthe ontbreekt deze beekdalgrond tussen ruwweg genomen Ossesluis en Meppel. Door het ontbreken van deze beekdalgrond is het aannemelijk dat het Oude Diep niet afwaterde vanaf Ossesluis via Rogat naar Meppel, maar via de Koekanger Aa en de Wold Aa naar Meppel.

De Wetering
Al in de 15e eeuw was er een water dat vanuit Meppel oostwaarts liep in de richting Rogat, dit water is bekend onder de naam De Wetering. In 1426 diende voor de Etstoel een geschil over het onderhoud van De Wetering. Het geschil ging tussen de buren van Havixhorst, Schiphorst, Dickninge en Dunninge enerzijds en onderhoudsplichtigen van De Wetering te Meppel anderzijds. De Wetering werd niet, zoals gebruikelijk voor grotere wateren, gemeenschappelijk door de buren, in dit geval die van Meppel, onderhouden maar het was, wat het onderhoud betreft, in 17 panden of slagen verdeeld en deze vorm van beheer schijnt meer gebruikelijk te zijn bij gegraven waterlopen dan bij riviertjes. Het is aannemelijk dat, gelet op het voorgaande, De Wetering geen riviertje is geweest maar een gegraven vaarweg of misschien een vergraven veldloop. Bodemkaarten laten ook geen beekdalafzettingen zien bij De Wetering, een tweede reden om er vanuit te gaan dat we hier niet met een riviertje te maken hebben.

De uitvoering
Bij het graven van de Hoogeveense Vaart heeft men zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande wateren. Tussen iets ten oosten van Echten tot voorbij Ossesluis waar het Oude Diep afboog in noordwestelijke richting, heeft men gebruik gemaakt van de loop van het Oude Diep. Om Meppel te bereiken moest men vanaf Ossesluis een kanaal graven richting Haalweide en Rogat; hier kon men opnieuw gebruik maken van een bestaand water: De Wetering of, zoals hij op de kaart van Pijnacker wordt genoemd, Echtinger Nieuwe Grift.
Het graven van het kanaal was niet de enige moeilijkheid. Men had ook nog te maken met het hoogteverschil van ruim 10 meter. Om het water te reguleren had men tussen Hoogeveen en Meppel 11 schutten gemaakt.
Op het gebied van de voormalige gemeente de Wijk waren 4 schutten, Osseschut, op de plaats van de huidige Ossesluis en Jurriaansschut dat aan het eind van de Broeksteeg lag, ten noorden van het huidige viaduct in de Slenkenweg, verder nog het Rogatschut dat een beetje zuidelijk lag van het huidige schut en dan nog het Knijpeschut. Knijpe wil zeggen: een vernauwing in een waterloop.
De genoemde schutten hadden in het bovenhoofd een valdeur en beneden puntdeuren. Die valdeur gaf de nodige beperking aan de hoogte van de vaartuigen. Ook in beladen toestand moesten ze onder de valdeur door kunnen varen. Weliswaar lagen ze dan door het gewicht dieper, maar dat gewicht (turf, stro, hooi) lag wel hoog opgetast!
Doordat er relatief veel schutten waren, was het verval niet zo groot; het varieerde voor de genoemde schutten tussen 60 en 80 cm.
Om de grote hoeveelheid water in de winter goed af te voeren en Meppel enigszins te behoeden voor natte voeten werd in 1634 een verbinding gegraven tussen de Hoogeveense Vaart en de Reest. Dat deed men op de plaats waar de afstand tussen het kanaal en het riviertje het kleinst is, namelijk bij de Eemten. De naam van dit verbindingswater was "Utterleake". Leake, Laak of Lek wil zoveel zeggen als: gegraven water, meestal een grenswater.
We hebben op het grondgebied van de voormalige gemeente de Wijk ook te maken met een aantal wijken, die o.a. bedoeld waren om de boten of pramen een goede verbinding te verschaffen met de eindbestemming van de vracht. Ten zuiden van de Hoogeveense Vaart kennen we, van west naar oost, de Dickninger wijk ook wel Scholtenswijk genoemd, de Ten Woldewijk en de Haalweidigerwijk. Aan de noordkant kennen we de Koekangerwijk, gegraven in 1848; deze wijk loopt parallel aan de Slenkenweg en de Schoonveldeweg. Op de plaats waar de oude weg naar Koekange deze wijk kruiste was vroeger een ophaalbrug; ten noorden van de brug stond tussen de weg en de wijk een huisje dat volgens mij laatstelijk bewoond is geweest door Jan Pater.

Ten leste
Zwaar moet het werk geweest zijn bij de instandhouding en het gebruik van de Hoogeveense Vaart; bijna alle werkzaamheden moesten verricht worden door inspanning van menselijke en soms dierlijke krachten (paard). Dat hield niet op toen in 1850 de Drentsche Kanaalmaatschappij werd opgericht, die het beheer over de Hoogeveense Vaart overnam en deze ook verbreedde.
De schepen maakten gebruik van windkracht waar het zeilschepen betrof, maar ook werd gebruik gemaakt van paarden en mensen. De jaagpaden naast het kanaal werden door de paarden gebruikt, scheepsjager of praamjager was een beroep! Een praamjager bood zijn diensten aan bij een schipper om zijn schip of praam met zijn paard te trekken.
De vrouw van de schipper werd bij sommige schepen ook ingezet om het schip te trekken; de arme ongeëmancipeerde ziel moest maar zorgen dat het schip verplaatst werd, terwijl haar eega het roer bediende.
Een schip werd ook wel varend gehouden door een groepje mannen die dan gezamenlijk in een soort tuig zorgden voor de nodige trekkracht. Met betrekking tot dit laatste heb ik het volgende uit de mond van een getuige opgetekend: Toen tijdens het trekken op een gegeven moment het touw brak en iedereen op één na op de grond viel, zei de heer X., die overeind was blijven staan omdat hij niet trok: "Ik zag het aankomen". De heer X was een inwoner van De Wijk die nou niet bepaald bekend stond als een zeer vlijtig persoon.
Met deze anekdote maak ik een eind aan dit verhaal over ontstaan en geschiedenis van de Hoogeveense Vaart. Dat het bij lange na niet volledig is, daarvan ben ik me zeer wel bewust.

*****


Gebruikte literatuur:
H. Gras - Tweestromenland Geschiedenis van De Wijk.
J. Poortman - Geschiedenis van De Wijk en Koekange
G.A. Coerts - Stromen en Schutten, Vaarten en Voorden - Geschiedenis van de natte Waterstaat in Drenthe